Wat maakte dit boek zo persoonlijk voor jou om te vertalen?
Toen ik het las, voelde het alsof het over mijn eigen jeugd ging. Heel veel dingen die ik vroeger had meegekregen, vond ik erin terug. Ik ben zelf nooit in Palestina geweest, maar de cultuur kreeg ik op zo veel manieren mee: in de geur van het eten dat mijn moeder maakte, in de Palestijnse artiesten die mijn ouders opzetten, en vooral in de verhalen van mijn grootouders. Van mijn moeders kant heb ik nog twee grootouders die echt in Palestina geboren zijn en hun huis op jonge leeftijd hebben moeten verlaten; mijn grootvader heeft nog steeds de sleutel van dat huis. Veel Palestijnen bewaren zo'n sleutel, als symbool van hoop en terugkeer. Die hoop en standvastigheid typeren denk ik elke Palestijn, zelfs wie alles verloren heeft, houdt dat glimmertje hoop vast. Het boek is geschreven door een Amerikaans-Palestijnse vrouw, en toch deelden we hetzelfde verhaal. Het was voor mij dan ook echt een eer om het te mogen vertalen.
Waarom is het belangrijk dat juist Nederlandse kinderen hierover lezen?
Omdat verhalen mensen verbinden, en kinderen vormen daarop geen uitzondering. We onderschatten kinderen vaak; ik werk zelf in het onderwijs en weet dat ze veel slimmer zijn dan je zou denken. Nederlandse kinderen leren van alles over andere culturen en landen, maar Palestina komt meestal alleen voorbij in de context van oorlog. En er zijn ook Palestijnse kinderen in Nederland. Die verschillen eigenlijk weinig van andere kinderen, alleen de plek waar ze vandaan komen is anders. Ook zij hebben dromen, hobby's, families en vriendschappen. Door verhalen te delen ontstaat er verbinding, meer begrip voor elkaar, en een andere blik op het nieuws dat we vaak heel eenzijdig meekrijgen.
Het boek begint met de Nakba. Hoe leg je zoiets uit aan kinderen?
Nakba is een Arabisch woord dat zich laat vertalen als 'catastrofe'. De eerste, grootste Nakba vond plaats in 1948: zo'n 750.000 Palestijnen werden met veel geweld uit hun huizen verdreven, en velen overleefden het niet. Mijn eigen grootouders zijn in dat jaar naar Irak gevlucht. Aan een kind zou ik het zo uitleggen: stel je voor dat jij en je familie al generaties lang in een huis wonen, met een mooie tuin vol bomen die je grootvader heeft geplant. En op een dag klopt er zomaar iemand aan die je je huis uit zet en je moet weg, zonder te weten of je ooit nog terugkomt. Dat is in de kern het verhaal van de Nakba. Het is een moeilijk onderwerp, maar als je het zó vertelt, wordt het voor kinderen wél inzichtelijk.
In het boek komt ook de dichter Mahmoud Darwish voor. Wie is hij?
Een heel bekende Palestijnse dichter, die ook in het Westen veel gelezen wordt. Zijn gedichten zijn typerend: ze gaan over verlies, over liefde en over Palestina, vaak alles tegelijk. Zijn werk is in veel talen vertaald, en als ik vertel dat ik Palestijns ben, is Darwish vaak het eerste wat mensen noemen. Ik heb zelf ook een dichtbundel uitgebracht, dus het was mooi om hem een plek te geven in het boek.
Als een lezer maar één gevoel mag overhouden na het dichtslaan van dit boek, wat moet dat dan zijn?
Herkenning en hoop. Herkenning voor kinderen met een Palestijnse achtergrond, die hun eigen verhaal en cultuur terugzien. En voor alle andere lezers: het gevoel dat we, ondanks alles, hetzelfde leed en dezelfde hoop met elkaar kunnen delen, en dat dat ons dichter bij elkaar brengt.